Posts tonen met het label Immuno fluorescentie techniek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Immuno fluorescentie techniek. Alle posts tonen

31 mei 2011

Het kan verkeren

Gekleurd preparaat van de parasiet
Toxoplasma Gondii
Het was alweer enige jaren geleden dat we elkaar voor het laatst zagen: Hans Sluijters, parasitoloog in ruste. Ik werkte nog maar kort aan de VU en had ruimschoots kennis gemaakt met Immuno Fluorescentie en wat virologische technieken bij het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) in Amsterdam toen ik voor de daadwerkelijke kennismaking met Toxoplasmose parasieten en de sero-diagnostiek op Toxoplasmose naar het RIV (Rijks Instituut voor de Volksgezondheid), tegenwoordig RIVM geheten werd gezonden door mijn chef, de hooggeleerde van Tongeren. In die tijd, we schrijven zomer 1971 maakte ik al kennis met Hans. We woonden beiden in Amsterdam en aangezien ik nog geen auto had, laat staan kon rijden, reed ik met hem mee; twee jonge academici, aan het begin van hun carrière. Niet veel later kwam hij aan de zelfde afdeling Medische Microbiologie aan de VU werken; op de afdeling parasitologie. We waren elkaar uit het oog verloren tot we ergens in de tachtiger jaren beiden forensten naar Rotterdam en elkaar zeer regelmatig spraken in de trein en lopend op weg naar huis. Zacht lispelend vertelde hij over zijn wederwaardigheden op werk en thuis. En dan nu twee grijze heren, klaar met het werkend leven en bij Albert Heijn pratend over vroeger.
Bij het RIV kwam ik op de afdeling van Joost Ruitenberg en leerde daar alles over de Toxoplasmose serologie en over het kweken van de Toxoplasmose parasiet in levende muizen. Dat je daarbij uiterst voorzichtig moest zijn en vooral niet met de vlijmscherpe naaldjes in je vingers moest prikken werd er niet bijverteld; uit de literatuur wist ik gelukkig dat een dergelijk prikaccident dodelijk af kon lopen, althans dat was een keer in Frankrijk gebeurd.
Nog jaren heb ik de wetenschappelijke gangen van Ruitenberg ter zijde gevolgd; ik bewonderde hem. Toen we later in Bilthoven kwamen wonen kwam ik hem regelmatig tegen in het Houdringhe bos en groetten we elkaar met een afstandelijk knikje. Ergens in de tachtiger jaren werd hij directeur van het CLB waar ik mijn wetenschappelijk carrière heb vervolgd na de VU.
Vanavond sprak hij de leden van de bridgeclub Groenekan toe vanwege het eind van het bridgeseizoen en het begin van het zomer reces. Joost is voorzitter van de club en we spelen regelmatig tegen elkaar. Het kan verkeren zei Bredero al.

23 mei 2011

Mijn eerste laboratorium herinneringen

Door dat artikel in de Pers over AIDS ben ik aan het denken geslagen over het proefdiermodel waar ik aan gewerkt heb maar ook aan mijn hele loopbaan in de wetenschap. Naarmate je ouder wordt realiseer je je dat een loopbaan toch vooral door toeval ontstaat; natuurlijk is er een aantal ingrediënten dat bepalend is voor de klasse loopbaan. Of je studeert of niet; wat je studeert; wat je aanleg is, karakter, ambitie, doorzettingsvermogen etc.
Door een gelukkig toeval kwam ik in 1971, nadat ik als biochemicus was afgestudeerd, op de afdeling Microbiologie van de faculteit der geneeskunde van de VU terecht. Een afdeling met veel interne problematiek; de hoogleraar was een eigenzinnig man en niet ieder staflid kon daar even goed mee omgaan. Zo kreeg ik de opdracht om een bepaalde diagnostiek op te zetten; dat had hij eerder opgedragen aan de staf maar die hadden in zijn ogen zo veel noten op hun zang dat hij zijn eigen, kordate weg had gevolgd en een chemicus had aangetrokken. Nou, dat was ik als jong broekkie zonder enige ervaring op werkgebied. Eigenlijk had ik deze techniek voor de serologie van Toxoplasmose, vooral dankzij de zeer ervaren analiste, die ik mede mocht aanstellen, snel in de rails. Dus na een half jaar had ik mijn taak er eigenlijk op zitten; de Toxoplasmose serologie liep als een trein. We deden dat met de Immunofluorescentie Techniek (IFT), waarover later meer.
Ik vroeg de hooggeleerde wat ik nu verder aan zou pakken. Daar had hij volgens mij nooit bij stil gestaan en noemde het ontwikkelen van een snelle methodiek om twee typen Herpes Simplex (HSV-1 resp. HSV-2) van elkaar te onderscheiden. De oude hoogleraar was een echte doener; van achtergrond was hij veterinair en als hoogleraar microbiologie aangesteld aan de VU. Hij werkte graag met dieren; ik mocht hem wel en kon, ondanks zijn kuren, goed met hem opschieten. Hij spoot babymuizen in met patiëntenmateriaal en kon dan aan het effect zien of het om Herpes Simplex Virus (HSV) ging en zo ja, welk type. Ook inoculeerde hij bebroede kipeëieren met patiëntenmateriaal en kon dan aan de grootte van de pokken op het embryonale vlies zien of het om type 1 of 2 ging. Dat duurde soms lang en, waarschijnlijk meer om van mij af te zijn dan om de diagnotische noodzaak van snelle techniek, gaf hij mij aan dat ik me maar eens op dat onderwerp moest gaan storten. Hij had ook een stam waarvan hij niet precies kon uitmaken of het nou type 1 of 2 was en liet mij dat verder uitzoeken.
We hadden in die zeventiger jaren aan de universiteit geen problemen van financiële aard, in tegendeel. Er was budget over en de komst van een chemicus was welkom, want die wisten van dure apparaten. Maakte je het budget niet op dan verviel het voor het volgende jaar, ja ja, kom daar nu maar eens om. Ik had een heel groot laboratorium met weefselkweek faciliteiten, een proefdierstal met dierverzorger en alle apparatuur, chemicaliën en noem maar op tot mijn beschikking; een situatie waar een beginnend academicus tegenwoordig alleen maar van kan dromen. Het enige dat ik miste was ervaring, maar dat hadden mijn twee analistes wel. Dus hup met de geit, aan de gang met weefselkweek techniek, gecombineerd met immunofluorescentie en het leverde al snel resultaat op ook! Met weefselkweek techniek, gebruik makend van kippe-embryo fibroblasten en IF techniek kon je na 1 dag al HSV aantonen en ook om welk type het ging. Volgende keer... meer.